guess what

Camera loopt

De regisseur heeft het over ‘een gezellig sfeertje’ in de woonkamer.

De geluidsman stopt de hele dag het opname-apparaatje terug in mijn kontzak.

De cameraman leest tussen de opnamen door Maya voor uit ‘Professor Astrokat’.

De schilder heeft een veel te dure auto.

De macrobiotische timmerman eet wel 10 mini-Marsen.

De producer rijdt het halve land door voor lampjes en gordijnhaakjes.

De interieurstiliste tovert intussen de zolder om tot een plek waar zelfs strijken een feest is.

Voor de camera? Ik heb de smaak te pakken. Nu wil ik doorstomen naar 2 voor 12. Per seconde wijzer.

Nee, ik wil het Klokhuis presenteren.

 

Nederland ontschaapt.
uit de klei

Ontschaap

Slaperig loop ik naar voordeur. Trek de krant uit de brievenbus. Check de voorpagina.

Opeens ben ik klaarwakker.

Poehee, die had ik niet aan zien komen.

Het is dan ook nogal wat, wat de NRC Next meldt:

Nederland ontschaapt.

Waarom verdwijnt het schaap uit het Nederlandse landschap?

Nederland ontschaapt.

Snel blader ik naar het artikel. Het begint goed. “Wie een rationele sterkte-zwakteanalyse loslaat op het schaap, ziet meteen: een schaap is een leuk product.” Niet bijster intelligent maar wel “heel hanteerbaar”.

Het zijn die-hards die het hele jaar door buiten staan.

En “Als een schaap tegen je oprent, gebeurt er meestal niks. Da’s makkelijk met kinderen”.

Rende er maar eens een schaap tegen me op.

Maar dan slaat de toon om.

In schapen “moet je zin hebben”, legt een boerenechtpaar uit.

Ze verdwalen, raken bekneld, vallen in de sloot of krijgen uierproblemen.

Iets met mestquota, ooipremie.

Als niche kun je er schapen bijnemen voor de wol, melk of kaas.

Echt verdienen doe je aan schapenvléés.

Daar liggen nog kansen.

Om mijn geliefde schaap te redden moet ik het dus éten?

Lámskoteletten braden?

Dat moet toch anders kunnen.

Ik denk aan crowdfunding. Boeren betalen om schapen te houden.

Of à la Rotterdam: schapen in de stad, of op het dak.

Misschien moet ik m’n carrière omgooien en in de schapen gaan. Een niche is juist goed. Subsidietje erbij.

Gelukkig is de ontschaping nog niet helemaal voltrokken.

Ik ga m’n fiets pakken. Naar de schapen toe.

Uncategorized

De pont

Je haalt ze er feilloos uit.

Ze rijden als eerste de pont af terwijl ze links of rechts stonden.

Dat kan dus niet.

Dat is tegen de ongeschreven regels van de pont.

Die komen hier niet uit de buurt.

Het gaat zo:  je wacht aan de ene kant van de Bergsche Maas. Soms 5 minuten. Soms 10. Rijdt schuin de pont op. Recht als je krassen onder je auto wilt. Aan de overkant rijdt de middelste rij eerst de pont af. Welke rij daarna gaat, links of rechts, is een kwestie van aftasten. Daar is geen regel voor.

Ik snap de verwarring wel.

Die had ik ook toen ik de eerste keer de pont over het Ij in Amsterdam nam.

Ik verwachtte ieder moment in m’n kraag gepakt te worden.

“Heeft mevrouw een kaartje?”

Ik stond ingeklemd tussen tientallen fietsen te wachten op de kaartjesverkoper. Daar was de NDSM-werf al. Het was zeker te druk geweest. Hij had niet iedereen een kaartje kunnen verkopen. Had ik even mazzel.

Was ik even een provinciaal.

De pont over het Ij is gratis. Hoe moet je anders in Noord komen en andersom?

Zoiets moeten pontgangers over de Bergsche Maas ook voelen. Ingeklemd tussen hooiwagens en aardappelrooimachines schommelen ze naar de overkant en verwachten ieder moment door de mand te vallen. Alleen gratis voor landbouwverkeer. Abonnement nodig.

Neen mensen, de pont is gratis.

Een gratis zenmoment.

Je kunt niet doorrijden. Niet inhalen. Geen afslag nemen om de file te vermijden.

Je houdt gedwongen rust. Staat stil terwijl je gewend bent te rennen.

Deint mee op het ritme van de pont.

Vijf minuten mindfulness. Leven in het moment.

Vijf minuten.

Dan rijd je de pont af (middelste rij eerst hè!), schakelt in z’n twee en rent weer door.

 

 

 

Uncategorized

De Taj Mahal kan wachten

Een familiecamping in Frankrijk. Met veel Nederlanders. En animatie.

Daar zou ik dus nóóit heengaan.

Als ik een kind kreeg zou ik dat in een draagzak gooien en mee door India zeulen.

20 juli 2014

Ik sta op het punt te vertrekken naar een familiecamping in de Vendée. Met veel landgenoten. Animatie voor jong en oud.

De voorbereiding gaat minstens zo grondig als toen ik voor zes maanden naar West-Afrika vertrok.

Toen zaten in mijn back-pack: malariapillen, muggennet, lakenzak.

De wapenuitrusting nu: een iPad, een kilo snoep, kadootjes.

Malariamuggen bestrijden is makkelijker dan een lange reis maken met een vierjarige.

Ook voor vriend P. is dit een nieuwe ervaring. Het gaat hem goed af. Hij is de stroomversnelling in het zwembad niet uit te slaan. Verstuikt zijn teen bij een té enthousiaste spurt de glijbaan op.

En mama? Die ligt ondertussen op haar zonnebed, een pina colada bij de hand. Urenlang ongestoord te lezen in Het Puttertje.

We eten twee weken lang vette kazen, slaan liters rosé achterover. Aan het eind van de week vindt moeders zichzelf terug tussen 127 andere campinggasten tijdens een recordpoging aquagymmen.

Ach, je kind voor de 83e keer bommetje zien doen, schelpen zien verzamelen op het strand, en vooral Uren Ongestoord Lezen, daar kan geen Taj Mahal tegenop.

 

 

lowlands-stress
Uncategorized

Lowlands-stress

Nietsvermoedend trok ik de NRC Next uit de bus. Wat was ‘ie dik. Oja, tuurlijk, de Lowlandsbijlage. Duh, hoe kon ik dat nou vergeten.

Jaa, ik ga weer.

Ergens begin deze eeuw ging ik voor het laatst. Ik herinner me blote voeten op het gras, vage dansbewegingen makend met vriend M terwijl le Peuple de l’Herbe speelde.

De spacecake waar ik niet zozeer van ging zweven, als wel een halve dag wezenloos tegen de Charlie hangen.

Twee jongens die ’s nachts op het festivalterrein met elkaar belden met een stuk meloenschil.

Ik herinner me de 24-uurstent, waar bleek dat je toch nog kon dansen ook al dacht je drie uur geleden al: laat ik m’n tent eens gaan opzoeken.

Wat mij betreft mag de hemel eruitzien als de 24-uurstent.

Tussen begin deze eeuw en nu zat ik in Yaoundée expat te wezen en kreeg een kind. Allebei geen ideale voorwaarden voor een weekend je van de wereld dansen.

Dit jaar offerde vriend P zich op om kaartjes te bemachtigen. En hij had ze.

Dus ga ik eens kijken hoe het staat met mijn kennis van psychedelische indiepoprock en postdubstep.

Ongetwijfeld uitstekend.

Toch slaat me, bladerend door de programmakrant, de schrik om het hart. Er moet gekozen worden. En niet zo’n beetje ook.

Ga je naar die sympathieke band van die jonge gasten die dat ene leuke liedje hadden? En dan maar afwachten of de rest van hun repertoire ook wat is?

Of ga je voor de grote namen, waarvan je in ieder geval drie liedjes kunt meeblèren en alvast weet in welke dansmood – ritmisch heen en weer deinen/tegen je buurman opbeuken/ handen in de lucht en springen! – je moet verschijnen?

Die keuze is van levensbelang.

Je wilt echt niet dat tering goeie indiebandje missen waar na afloop de kranten vol van staan.

Je zult zien: die mis ik.

En dan zijn er nog de vragenstellers na afloop.  Ze zijn in te delen in twee kampen. Mensen uit het indiekamp zeggen: “Ben je niet naar [vul vage niet uit spreken indiebandnaam in] geweest?? Zonde!! ”

Het grote namenkamp: “Ben je niet naar [vul grote naam met veel hits in] geweest?? Waarom niet? ”

En dan stamel je iets als: “Zo stom, verkeerd op het blokkenschema gekeken, en toen stonden we dus vooraan in de Alpha in plaats van in de Bravo. Ja, en voor je dan terugbent.”

Of: “Iemand uit ons clubje zat vast op een dixie en toen moesten we hulp halen. Ze was flauw gevallen en we moesten haar onder de douche zetten en zodoende hebben we dat optreden dus gemist. Echt balen.”

Eén keuze is snel gemaakt: geen literatuur voor mij dit jaar. Die boycot ik omdat vriend P met zijn ingezonden verhaal NIET op de shortlist van de Lowlands schrijfwedstrijd staat. Dus lopen vriend P en ik rigoureus ieder literatuuroptreden voorbij. Tenzij schrijfwedstrijd-jurylid Renske de Greef bereid is te tongzoenen met vriend P, dan gaat hij misschien wel.

Voor de rest ga ik nog even puzzelen. Als ik er niet uitkom weet ik het wel. Iets met 24 uur. Altijd goed.

Uncategorized

Ik ging naar Maastricht

I

Ik ging naar Maastricht. In de trein las ik ‘Dit zijn de namen’ van Tommy Wieringa. Ik leefde in een andere dimensie. De bomen, huizen en fabrieken die aan me voorbij trokken deden vreemd aan. Ze strookten niet met de wereld van het boek.

II

Ik was in Maastricht met vriend P. Hij haalde me op van het station. We dronken koffie op het Onze Lieve Vrouweplein. In het café waar ik ging plassen was het donker, op een fijne manier. Plavuizen op de grond, geurend hout, oude schilderijen en portretfoto’s aan de muur.  Het café wasemde bier. Hier zou ik graag eens terugkomen tijdens carnaval. We bezochten de Onze Lieve Vrouwekerk. Die was nog donkerder dan de kroeg. Het wasemde geen bier. Wel wierook.

We liepen langs chique winkels. Ik vond dat dat ik hoognodig een jurkje van Marc Jacobs nodig had. Of om het even welke high-end fashiondesigner. Andere keer. Komt goed.

In het ziekenhuis op de intensive care stond een oudere vrouw met halflang wit haar en een vriendelijk gezicht aan het bed van haar man. Haar ene hand op haar hart, haar andere om de hand van haar slapende echtgenoot. Ze prevelde iets tegen ons in gebrekkig Nederlands. Ze kwam uit Joegoslavië. Bestaat dat eigenlijk nog,  Joegoslavië?

III

Ik vertrok uit Maastricht. Op station Randwijck vergat ik in te checken.  Zal de hitte zijn geweest. Of het bezoek aan de IC. De conducteur was aardig. Ik mocht van haar inchecken bij het overstappen in Sittard.

In Sittard stond de volgende trein aan de overkant klaar voor vertrek. Ik trok een sprintje en sprong in de achterste wagon. Ik wilde net gaan zitten toen ik me bedacht: vergeten in te checken. De net passerende controleur zei: “Loop maar naar de voorste wagon, dan kun je er in Roermond even uit om in te checken. Sittard – Roermond krijg je van mij kado.” Hij wist niet dat ik van zijn collega ook al Maastricht – Sittard kado had gekregen. Ze delen graag kado’s uit in Limburg.

 

Ik las niet verder in ‘Dit zijn de namen’. Ik houd niet van lezen met bezwete oksels en plakkerige handen. Het landschap paste weer bij m’n huidige toestand. Nog een half uur tot Den Bosch.